De abdij Vlierbeek
LUCET ET ARDET
(dat het moge schitteren en stralen)
 
Geschiedenis van de abdij
 
De abdij werd gesticht in 1125. In dat jaar schonk Godfried met de Baard, hertog van Lotharingen (1095 - 1135), één van zijn allodiale domeinen, "Vlierbeek" genaamd, aan de toen reeds bloeiende abdij van Affligem. Hij verzocht de abt naar de verkregen grond monniken te zenden die er een kerk en kloostergebouwen zouden oprichten opdat ze er, zoals de hertog het uitdrukte, zouden bidden voor het zielenheil van hemzelf en van zijn verwanten.
Dergelijke wens werd in soortgelijke vrome schenkingen veel geuit door vorsten en grote heren die, opgeslorpt door het weinig stichtende spel van politiek en oorlog, hoopten dat anderen hun zaligheid konden bewerken.
Vlierbeek was het eerste klooster in de omgeving van Leuven. Het behoorde tot de orde van de Benedictijnen, genoemd naar de H. Benedictus van Nursia.
 
 
In 1163 werd Vlierbeek ontslagen van onderdanigheid aan Affligem en kregen de monniken de toestemming een eigen abt te kiezen.
De abdij groeide gestadig en haar invloed deed zich stilaan doch krachtig buiten haar muren gelden. De monniken droegen bij tot het vruchtbaar maken van de streek, tot de ontwikkeling van landbouw, veeteelt en wijncultuur.
 
Het domein werd aanzienlijk uitgebreid. In een zestigtal dorpen, vooral gelegen rond Leuven en Tienen, kwam de abdij in het bezit van goederen die degelijk werden uitgebaat en rijke vruchten opbrachten. Op godsdienstig en intellectueel gebied straalde de abdij uit dank zij haar patronaatsrechten. Vlierbeekse monniken of hun afgevaardigden verrichtten parochiedienst te Elissem.
 
Op 25 september 1572 werd de abdij verwoest door een bende ruiters van Willem van Oranje omdat de kloosteroverste hen weigerde proviand te leveren. De religieuzen vluchtten naar hun refuge op Craenendonck, binnen de veilige Leuvense stadsmuren. Hierop trad een triestige periode in, die niet minder dan zeventig jaar zou duren.
 
De religieuze gemeenschap, losgerukt uit haar natuurlijk milieu en afgesneden van haar bezittingen, verarmde stilaan. Ook de kloostertucht leed sterk onder deze ballingschap. Eindelijk, in 1642, keerden de monniken weer naar Vlierbeek.
 
De 18de eeuw bracht voor Vlierbeek nog een hoogtepunt. De abdij wenste deel te nemen aan een architecturaal renouveau van dat ogenblik en daarom verzocht abt I. Van Den Bruel rond 1775 Laurent-benoit Dewez (1731 - 1812), architect van de gouverneur der Nederlanden, Karel van Lotharingen, een plan uit te werken voor de constructie van een volledig nieuwe abdij.
 
De abt kon echter niet voorzien dat zijn grote droom nooit volledig zou verwezenlijkt worden. Nauwelijks waren de kerk en een gedeelte van het abtskwartier voltooid of de Franse Revolutie sloeg te Vlierbeek fataal toe. Bij de tweede inval van de Fransen vluchtten de religieuzen naar Duitsland. Ze keerden spoedig weer doch ingevolge de officiële afschaffing van alle kloosters (1 september 1796) werden ze manu militari gedwongen hun abdij te verlaten (11 januari 1797).
 
Vlierbeek onderging het lot van de meeste andere kloosters in de Nederlanden. In 1829 was de onafhankelijke parochie Vlierbeek opgericht met de vroegere kloosterkerk als religieus centrum. Ze werd spoedig daarop samen met het omringende gebouwencomplex door J.-A. de Becker aan de nieuwe kerkfabriek afgestaan.
De landerijen die tot het oorspronkelijk domein Vlierbeek behoorden werden door dezelfde persoon overgemaakt aan het aartsbisdom Mechelen om met de opbrengst ervan studiebeurzen te geven.
De laatste jaren werden de meeste gronden verkaveld en openbaar verkocht. Een ander deel werd onteigend door de provincie Brabant in de jaren '70 om het passief gedeelte van het Provinciaal Domein te realiseren en zo de omgeving van de abdij te vrijwaren van verdere verkaveling.
 
De verschillende gebouwen
 

het gastenkwartier
 
Deze bevindt zich rechts van het nieuwe abtskwartier (nieuwe abtskwartier = rode gevel).
Dit gebouw werd ca. 1642 begonnen en is opgetrokken in barokstijl met classicistische tinten (strenge gevelopstand). De gevel is verdeeld in 12 traveeën waarvan de 5 linkse de oudste zijn. Later, ca. 1727, werden de overige 7 traveeën bijgebouwd volgens het oorspronkelijke plan. De datum met de initialen P.P. (= Abt Petrus Paradaens) is gebeiteld bovenaan op de fries, boven de rubensciaanse toegansdeur. Dit gebouw was oorspronkelijk ingericht als gastenkwartier van de abdij.
 
 
het abtskwartier
 
Het nieuwe abtskwartier is, buiten de kerk, het enige gebouw dat werd gerealiseerd (1776) volgens het plan van architect Laurent-Benoit Dewez.
Dit is het hoekstuk van een lange vleugel dat zich verder in de richting van de kerk zou uitstrekken. De grote en hoge zaal op het gelijkvloers verdient een speciale aandacht.
Als receptiezaal vervulde hij ongetwijfeld een rol in de sociale, economische, juridische en culturele activiteiten, die van de abt werd verwacht.
 
Het oude abtskwartier
 
Een brede 18de eeuwse poort geeft toegang tot het complex. Dit gebouw deed vroeger (voor de plannen van Dewez werden uitgevoerd) dienst als abtskwartier. Het betreft hier één van de oudste, en op architecturaal gebied één van de merkwaardigste, doch mooiste constructies van de abdij.
 
 
Het kloosterpand
 
Links van de kerk, in de pastorietuin, kan men de resten van ket kloosterpand bekijken. Deze vleugel was volledig geïntegreerd in het gastenkwartier. Dit zijn de enige restanten van het uitgebreide gebouwencomplex, waaronder de de Sacristie, kapittelzaal, slaapzaal, bibliotheek, infirmerie, refter, enz ... die zich in de koek gevormd door de kerk en het hoofdgebouw uitstreken en bestemd waren voor het gemeenschapsleven. Deze 3 traveeën geven een goede indruk van het oorspronkelijk uitzicht van de kloostergang.
 
Het landbouw- en
 
industriecomplex
 
Voor een abdij die op een autonoom economisch bestaan werd afgestemd, en belast was met de exploitatie van het domein, waren de landbouw- en industriegebouwen onontbeerlijk. Links bevond zich de brouwerij, rechts de bakkerij en de hoevegebouwen. Thans zijn deze gebouwen omgevormd tot privéwoningen.
 
 

 

 

 

 
Het karhuis
 
Dit gebouw is een laatste getuigenis van een karhuis en bergplaats voor de landbouw welke de tijd trotseerde. Vier grote poorten, gevormd door arduinen bogen, gaven toegang tot een overdekte bergruimte. Later werd dit omgebouwd tot een woning.
 
 
 
De westervleugel
 
Dit lang gebouw (met de taverne) is verbonden tussen het portiershuis van de westerpoort en het karhuis, en dateert van de 2de helft van de 18de eeuw.
 
 
 
 
De Westerpoort
 
De westerpoort, tevens de hoofdingang van het Convent en het portiersgebouw, behoren tot het oudste deel van de abdij (16de eeuw). Het aanpalende gebouw dagtekent uit de 2de helft van de 18de eeuw, en heeft nagenoeg niets van zijn oorspronkelijk uitzicht bewaard.
 
 
De Noorderpoort
 
Is gelegen aan de noordzijde van de abdij. Langs hier kon men een belangrijk deel van de landerijen en velden bereiken (vandaar de hoge en brede poort). Deze poort was tevens voorzien van een valbrug die deze zijde van de abdij afsloot.
 
 
Het tuinprieel
 
Weinig of niets blijft er over van de rustige en sfeervolle tuinen van weleer. Wandelpaden liepen tussen perken met bloemen en sierheesters. Op de hoeken waren prieeltjes aangebracht. Dit is het enige restant en dateert van ca. 1650.
 
 
De kerk
 
Van het kloostercomplex vormt de kerk het middelpunt. Een eerste stenen bedehuis werd opgericht van 1158 tot 1170, opgetrokken in een typisch romaanse stijl van het maasland. Later werd dit bedehuis verwoest en pas rond 1640 werd de bouw van een nieuwe kerk aangevat.
 
Het geplande kerkgebouw zal nooit voltooid worden. Het bestaande gedeelte was bouwvallig wanneer abt Van Den Bruel rond 1775 Laurent-Benoit Dewez ontbood een nieuwe kerk te bouwen, en alle bestaande gebouwen te venieuwen. Van dit groots project werd alleen de kerk afgewerkt, evenals het nieuwe abtskwartier.
 
Meer info over de kerk en de abdij vind je in de prachtige brochure in kleurendruk van de Dienst Toerisme van de stad Leuven en is te bekomen in de taverne aan de prijs van 1 €.
 
 
 


 
Epiloog
 
Al deze gebouwen vormden 7 eeuwen lang het materiële kader voor het dagelijkse bestaan van de monniken, die, in de greep van de stilte, Gods roep hadden gehoord.
 
Ofschoon de monniken gedwongen hun abdij hebben verlaten, toch bewijzen zowel de bewoners, die de oude gebouwen opnieuw bewoonbaar hebben gemaakt, als de toeristen die deze abdij bezoeken, dat Vlierbeek geen ruïne is zonder leven.
 
Daarom is het een geschikt eindpunt voor vele wandelaars, een pleisterplaats voor passanten die op het terras van de herberg genieten van de gastvrijheid zoals die de eeuwen door tot de taken van de abdij behoorde.
 
Tot kijk!
 
Bron: M. Smeyers - uitgaven Heemkundige Kring van Davidsfonds Vlierbeek
Meer info kan je vinden op  http://www.abdijvanvlierbeek.be.

 

 
Deel onze site